“Oordeel niet, maar stel een vraag”

Thea Hol

Erover praten – het is vaak lastig, zeker binnen organisaties. Daarom bestaat de aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling. Die heeft er oog voor, kan moeilijke gesprekken voeren, kennis delen en medewerkers coachen. LVAK-directeur Tea Hol vertelt: “ ‘Praat met elkaar’ geldt ook voor professionals onderling.”    

Een aandachtsfunctionaris is binnen een organisatie de deskundige die weet wat je moet doen als er signalen zijn van huiselijk geweld en kindermishandeling. Je vindt aandachtsfunctionarissen in alle sectoren die verplicht met de Wet Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling werken – denk aan scholen, kinderopvang, ziekenhuizen en thuiszorgorganisaties. Maar je vindt ze ook bij gemeentes, huisartsenposten, tandartsenpraktijken en pleegzorgorganisaties.

Tea Hol, directeur van de LVAK (landelijke vereniging voor aandachtsfunctionarissen huiselijk geweld en kindermishandeling) vertelt: “De aandachtsfunctionaris is getraind om bij vermoedens van verwaarlozing en mishandeling de juiste stappen te ondernemen. De aandachtsfunctionaris ondersteunt en begeleidt collega’s met dergelijke vermoedens, en leert ze hoe je gesprekken met ouder en kind voert. Verder zorgt hij dat de meldcode goed kan worden gebruikt binnen de organisatie en adviseert hij de directie over dit onderwerp.”   

En wat doet de LVAK? 

“Wij zijn de zelfstandige beroepsgroep die aandachtsfunctionarissen opleidt en bijschoolt. Je volgt bij ons een driedaagse opleiding en wordt daarna bij een jaarlijks lidmaatschap bijgeschoold. Voor elke sector bieden we aparte scholing aan.” 

Het thema van deze editie van de Week tegen Kindermishandeling is ‘Praat met elkaar’? Hoe doe je dat vanuit het perspectief van de aandachtsfunctionaris?

“Vanuit de LVAK leren wij aandachtsfunctionarissen altijd om niet te praten over mishandeling, maar over zorg. Oordeel niet, maar stel een vraag. Een voorbeeld: een leerkracht merkt dat Jantje niet meer speelt, zijn lunch laat staan en kringen onder zijn ogen heeft. Dan moet die leerkracht niet aan de ouders vragen: gaat het wel goed bij u thuis? Beter is het om te beginnen met: dit is wat ik zie, ziet u dat ook? Op zo’n manier heb je de opstap naar een gesprek over een gedeelde zorg. Dat biedt weer de opening naar mogelijke vervolgstappen.”

“Ook adviseren we om niet te lang te wachten met een gesprek. Want als zich eerst een berg aan signalen heeft gevormd, dan heb je al een oordeel gevormd. En dan is het veel moeilijker om open het gesprek in te gaan.”

“En ‘Praat met elkaar’ geldt ook voor collega’s onderling: want stel dat je als leerkracht een keer een negatieve ervaring hebt gehad in zo’n gesprek met een ouder. Dan heb je de neiging om ‘t niet snel nog een keer te doen. Maar als je erover kunt praten met een collega of een aandachtsfunctionaris kan dat opluchten. Van collega’s kun je tips krijgen over hoe je met situaties als deze om kunt gaan. Met elkaar in gesprek gaan, kan je dan helpen om de volgende keer zekerder te zijn.” 

Dat klinkt goed, hoe gaat het in de praktijk? 

“Wij zien dat signalen lang niet altijd goed worden opgepikt en dat de meldcode te weinig wordt ingezet. Dat verschilt wel per sector. In de medische wereld heeft de aandachtsfunctionaris een stevige plek gekregen. Maar in het onderwijs en de kinderopvang is dat nog niet zo. Ik durf wel te zeggen dat het daar nog helemaal niet goed geregeld is. Het is vaak een taak erbij. En als je het als onderwijskracht moet doen als een taakje erbij, dan werkt het niet goed. Je handelt dan misschien alleen als er duidelijke vermoedens van mishandeling zijn. Maar dan ben je eigenlijk al te laat. Beter is het om preventief te kunnen handelen. De aandachtsfunctionaris moet daarvoor goed geborgd zijn binnen een organisatie, hier uren voor krijgen en zicht gesteund voelen.”